De dood nieuw leven in blazen, de wondere wereld van opgezette dieren

Bijgewerkt op: 7 jan. 2020




Augustus 2019, het Stationsplein in Haarlem. Er ligt een dode vogel op de stoep. Zo groot als een mus. Iedereen die het ziet, moet even stil blijven staan. Zo zie je ze niet vaak. Een gezond, bol buikje, de ingewanden kennelijk nog netjes op de plek. Alle veren schoon en donzig. Zelfs de ogen glanzen nog. Alsof het beest zo uit de lucht is komen vliegen en op de grond is gaan liggen. Een man gaat ernaast staan: "Mooi hè?''.

Even later, op de redactie van deze krant. "Een bonte vliegenvanger", constateert een collega - tevens bioloog - na het zien van de foto van het dode vogeltje in kwestie. "Een vrouwtje. Best zeldzaam zijn die." Daarna ietwat verbaasd: "Heb je haar daar gewoon laten liggen?"

Vogel in doosje Ron Philippo is al bijna dertig jaar taxidermist vanuit huis. Hij woont in het Ramplaankwartier. Dolblij is hij als 'onze' dode vogel netjes in een doosje bij hem arriveert. Al twintig jaar ligt er een bonte vliegenvanger bij hem in de vriezer, de mannetjesvariant. Wachtend op een vrouwtje. Philippo kreeg hem als huwelijkscadeau maar wilde hem pas opzetten als hij een koppeltje kon vormen, met zijn tweeën op een takje. Dat is interessanter voor musea; zijn voornaamste klanten. "Ik denk dat hij is gegrepen door een sperwer", gokt Philippo als hij een paar missende veertjes en een klein sneetje op de buik inspecteert. "Verder is hij prachtig. Musea betalen zo 150 euro om zoiets op te laten zetten, als ze dit bij me afleveren", schat hij. "Maar zeldzaam of niet. Ik mag mensen die dode dieren brengen nooit geld geven. Dat is wettelijk geregeld want het zou jacht en handel in de hand werken."

Opengesneden en uitgekleed Drie maanden later (Philippo heeft een behoorlijke wachtlijst) is het zover. Philippo's werkplaats zit in een tuinhuis in zijn achtertuin. Er staat vrolijke rockmuziek aan en de muur hangt vol gereedschappen. Overal waar je kijkt staan, niet geheel verrassend, opgezette beesten. Een hertenkop aan de muur, een vosje op een plank, eekhoorns en vogels in allerlei kleuren. 'Ons' vogeltje ligt opengesneden en 'uitgekleed' op een werkbank. Zo mooi als ze op het Stationsplein lag, zo armetierig en onherkenbaar is ze nu. Een huid zo dun als een sigarettenvloei met natte, plakkerige veren en ergens een verdwaald snaveltje en pootjes. Naast dit vodje veren ligt een bruin stukje vlees, zo groot als een kleine dadel: "Het binnenste van de vogel." Philippo heeft de huid al machinaal gelooid: in een bak met zuur wordt het ontdaan van vet- en vleesresten zodat het niet gaat rotten. Daarna is het gewassen, 'gewoon' met kledingzeep.

Pielen met piepschuim Het binnenste wordt door Philippo opgemeten en met een zaagje en vijl zo precies mogelijk nagemaakt van een soort piepschuim. Voor dieren die hij vaak opzet heeft hij standaard vormen klaarliggen. Zelf gemaakt met gipsafgietsels, legt hij uit. Hij laat een vleeskleurige rat-achtige vorm zien: een eekhoorn. Voor kleine vogeltjes heeft hij geen mal, die maakt hij op maat. "Iedere soort is toch weer anders. En juist omdat ze zo klein zijn, kan ieder detail het verschil maken." Philippo pakt de flinterdunne huid op en houdt hem in de lucht. Na een korte inspectie trekt hij hem over het geknutselde binnenste heen. "Net alsof je een kind aan het aankleden bent", zegt hij als hij al sjorrend alles op de goede plek probeert te krijgen. Met naald en draad naait hij vervolgens het geheel met militaire precisie dicht. In de poten en in het nekje wordt ijzerdraad gestoken.

Föhnen maar De bonte vliegenvanger heeft nu weliswaar weer een binnenste, ze lijkt in de verste verte nog niet op het oude exemplaar. De aan elkaar geplakte veren maken de witte huid zichtbaar en het nekje dun. Dan worden twee föhns tevoorschijn gehaald. Een met warme lucht om te drogen en een koude, krachtige blazer zorgt dat zelfs de allerfijnste donsjes niet meer plakken. "Dit is altijd het mooiste moment", zegt Philippo. Hij heeft gelijk. Zodra hij begint, lijkt het geblaas de veren te laten ontploffen. Alsof het beestje weer in leven wordt geblazen. "Zo. Nu lijkt het weer ergens op."

Daar zitten ze dan Het zwarte met witte mannetje was al eerder opgezet door Philippo en staat ook op de werkbank. Zijn keurig gekamde, glanzende veren maken duidelijk dat er bij het vrouwtje toch nog wat werk aan de winkel is. Haar veren zijn droog en vol, maar warrig en ongetemd. "De kappersbeurt.", zegt Philippo. "Een uurtje werk." Met een pincet, kwastje en kritische blik gaat hij aan de slag. Ieder veertje moet op de perfecte plek. Als hij zover is, prikt hij wat naaldjes in het beest. "Zo blijft ook tijdens het laatste droogproces de huid op zijn plek."

Het grote moment is daar. De pootjes van het vrouwtje worden om het takje geklemd waarop ook het mannetje zit. Beiden dezelfde kant op turend. Daar zitten ze dan, voor een hele lange tijd met zijn tweetjes op een takje. Een koppeltje, door de dood verenigd.