Frans Hals directeur Ann Demeester: ’Haarlem is boring, en daar moeten we trots op zijn’



Ann Demeester (44) heeft een hekel aan belerende types. Mensen die roepen: ‘Het is een fietspad hoor!’, als een voetganger over een rode strook loopt. Ze heeft er een allergie voor. Misschien is dat de Belg in haar. Nederlanders zijn erg regelbewust, ervoer ze in de dertien jaar dat ze hier woont. Belgen zouden denken: zolang je me niet tot last bent, vind ik het best.


Knalroze lippenstift. Een blouse in dezelfde kleur. Een fraaie zwarte rok. Voor een ander zou het een uitgaansuitrusting zijn, voor een avond naar de film of uit eten. Maar de directeur van het Frans Hals museum heeft net haar kinderen naar school gebracht. Het is een normale woensdagochtend in Amsterdam, waar Demeester met haar man en twee kinderen woont.


Zoals wel vaker op vrije dagen kon ze de verleiding niet weerstaan toch wat werkafspraken te maken - waaronder dit interview. Voor haar neus staat een cappuccino. Ze zit in een café in de Rivierenbuurt - vlakbij de school van haar kinderen. Naast de koffie een dik boek over het Haarlemse Paviljoen Welgelegen, gekregen van een collega en een van haar nieuwe fascinaties. Haar donkerblonde bos haar zit in een sierlijke paardenstaart gestoken. Ze houdt van mooie dingen. Dat moet ook wel, anders word je geen museumdirecteur.


Demeester heeft het al vaak verteld. Zij, die opgroeide in Brugge, komt uit een gezin waar cultuur niet op de agenda stond. Afgezien van de lessen esthetica op de middelbare school leerde ze in haar jeugd niets over kunst. Als cadeau kreeg ze ooit een abonnement op kunsttijdschrift De Witte Raaf, dat las ze gretig maar begreep er weinig van. Toch denkt ze dat het zaadje dat ontsproot in de liefde voor kunst daar gepland werd.


Nu hoort de 44-jarige tot de top kunstexperts en -critica in Nederland. Vanaf 2003 tot 2014 werkte ze als directeur van kunstcentra in Amsterdam, eerst W139 en daarna De Appel. Begin dit jaar werd ze door de Volkskrant genoemd als mogelijk nieuwe directeur van het Stedelijk Museum. Niet dat ze dat toen zelf ambieerde. Sinds 2014 heeft ze de leiding in het Frans Hals museum en daar heeft ze nog genoeg plannen en werk aan de winkel. Haar voornaamste doel? De reputatie van het museum niet enkel van de werken van de Oude Hollandse Meester, Frans Hals himself (1582 - 1666), af te laten hangen. Het Frans Hals moet bekend gaan staan als hét museum van de Haarlemse Held Hals maar ook als een museum waar kunstwerken van de oude meesters samenhangen met hedendaagse en moderne kunst. Dit lukt al aardig, maar er is nog best wat werk aan de winkel: voorlopig is ze nog niet klaar in Haarlem.


Je bent nu bijna vijf jaar museumdirecteur in Haarlem. Hoe vindt je dat vergeleken met Amsterdam?

“Amsterdam is een bruisend en innovatief centrum voor de kunst. Ondanks torenhoge huizenprijzen reizen kunstenaars van over de hele wereld ernaartoe om zich er te vestigen, bizar. Haarlem is heel anders. Hier is meer vertraging, meer verstopte plekken. Wat ik jammer vind is dat Haarlem soms kampt met het Calimerocomplex. Het is het kleine broertje dat wil opboksen tegen de grote broer Amsterdam. Maar Haarlem zou meer moeten pronken met de éígen cultuur. Want die is zo mooi, met historische gebouwen overal in de stad die bijna geen Haarlemmer kent.

Haarlem is boring – zoals de makers van Klein Haarlem zeggen - en daar mogen we best trots op zijn. Klinkt gek, he? Maar juist het saaie karakter van Haarlem maakt de stad spannend. Dingen gebeuren hier in de luwte. In deze drukke tijd, waar mindfullness hoogtij viert en rust gekoesterd wordt, is Haarlem een walhalla. Een veilige haven. De hub voor creatieve ondernemers Klein Haarlem heeft plannen om een soort ‘Boring-festival’ uit te rollen in Haarlem. Dat lijkt me nou een goed idee.’’


Wat zijn die verborgen plekken waar Haarlem volgens jou mee moet pronken?

“Och, heb je even? Ik ontdek ze bijna dagelijks. Deze stad is een zakdoek groot, maar zó veel te ontdekken. Een wandeling door Haarlem kan voelen als een wandeling door gestolde tijd. Gisteren was ik in De Waalse Kerk, vlak naast de rosse buurt. Gebouwd in de veertiende eeuw maar het lijkt onveranderd sinds toen. Ander voorbeeld: de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, het oudste wetenschappelijk genootschap van Nederland, aan het Spaarne. Prachtig. En het Teylers Hofje! Of eigenlijk alle hofjes, semi-verborgen. En de regentenkamer in de Oude Bavo, alsof je terug in de tijd gaat. Of de Hoofdwacht aan de Grote Markt, een van de oudste monumenten van de stad. Allemaal historisch intact.”


Oké, dus Haarlem moet meer op de kaart gezet worden als historische trekpleister?

“Ja, zoiets. De stad heeft extreem veel opmerkelijk erfgoed op een beperkt aantal vierkante kilometer. De geschiedenis ligt op straat voor het oprapen. We moeten er meer uithalen. Haarlemmers zijn heel trots op hun stad, maar het is vaak een soort beschermende, negatieve trots. Afbakenend en territoriaal. Zo van: Haarlem is prachtig maar er moeten niet te veel toeristen komen hoor. En die Amsterdammers mogen ook wegblijven. Alsof je een pot goud hebt en erop gaat zitten. Terwijl ik denk: kijk hoe geweldig deze stad is, laat iedereen dit zien. De stad delen en hem beschermen kunnen hand in hand gaan. Oh! Als ik nog één verborgen parel mag noemen? Ik vind Paviljoen Welgelegen heel spannend. In de Haarlemmerhout. Dat sinds 1930 dienstdoet als Provinciehuis. Het is in de achttiende eeuw gebouwd door een Amerikaanse bankier om zijn kunstcollectie te tonen en als buitenplaats. Later werd het Museum van Levende Nederlandse meesters, onderdeel van het Rijksmuseum. Het is zelfs het eerste Koloniale Museum in Nederland, voorloper van Tropenmuseum geweest. Dit is toch iets wat veel meer mensen zouden moeten weten?’’


Hoe werkt jouw kijk op Haarlem door in de plannen voor het Frans Hals Museum en de collectie?

“Wij zoeken bij Frans Hals ook een eigen signatuur. Willen geen Mauritshuis of Rijks zijn. Alle oude meesters in de collectie hebben een directe band met Haarlem. We kopen niks van bijvoorbeeld kunstenaars uit Delft of Leiden. Paradoxaal genoeg is onze collectie behoorlijke internationaal. Haarlem trok namelijk heel veel migranten in de tijd van Frans Hals. Daarnaast heeft het museum sinds zijn ontstaan in 1923 ook een collectie aan ‘eigentijdse’ kunst. Dat is nodig om de werken van Frans Hals en andere meesters uit zijn tijd in leven te houden, ze niet te laten fossiliseren. Door een portret van Goltzius naast een hedendaags fotoportret van de Duitse kunstenaar Juergen Teller te hangen gaan bezoekers anders kijken. Onder mijn leiding probeer ik deze combinatie nog iets extremer te maken. We tonen niet alleen brave kunst die netjes in de pas loopt. We tonen en film en video, performance en digital based art, vormen en media van deze tijd waarin we nu leven. Mijn doel is om twee extremen met elkaar in gesprek te laten gaan. Altijd. In iedere presentatie de relatie tussen traditie en toekomst aan te halen. Door én De Oude Meesters tentoon te stellen én met nieuwere werken op de huid van de tijd te gaan zitten.”


Je hebt al eens eerder gezegd dat je kunstzalen graag als ‘Wunderkammer' ziet, een soort rariteitenkabinet waar kunststukken en objecten als schelpen, stenen en botten samen tentoongesteld worden. Ongeacht de tijd waar ze vandaan komen.

Hoe werkt dat tot nu toe?

“Bij sommige tentoonstellingen werkt dat radicaal goed, bij anderen passen we een light-variant toe. Het moet geen ratjetoe worden maar een doordachte mix zijn. Waarbij de kunstobjecten samen één verhaal vertellen. In onze vorige collectietentoonstelling ‘Rendez-Vous met Frans Hals was een zaal waarbij alle werken een unheimisch gevoel opwekten. Het schilderij De kindermoord in Bethlehem van Cornelis van Haarlem (1590) wat een Bijbelsverhaal over de genocide op kinderen verbeeldt, hing er tezamen met werk van de schilder Michael Borremans waar naakte, Engelachtige kinderen onduidelijke spelletjes aan het doen zijn die bedriegend aanvoelen ondanks dat er geen expliciet bloed of geweld te zien is. ’Wat gebeurt hier?’, denk je als kijker. Sommige bezoekers vonden het afschuwelijk, andere geweldig. Dat is dus perfect. Een zaal moet een reactie oproepen, of dat nou een positieve of negatieve is. Een museumbezoek moet naast ontspanning bieden, ook een soort mentale sportschool zijn: pas na de inspanning komt de weldadigheid.”


In de huidige tentoonstelling Haarlemse Helden. Andere Meesters wordt het werk van de

oude meesters uit de 16e en 17e eeuw gecombineerd met actuele thema’s zoals gender, geloof en afkomst. Is dit een poging om een ook diverser publiek en minderheidsgroepen naar het museum te krijgen?

“Deels. Sowieso vind ik het belangrijk altijd maatschappelijke thema’s aan te boren in de tentoonstellingen. Maar we hopen ook wel om met deze benadering onze doelgroepen uit te breiden, dat verloopt stapje voor stapje. We bereiken nu toch met name autochtone, oudere, cultureel geïnteresseerden. We willen ook alle anderen bereiken. Maar Haarlem is een van de meest autochtone steden, dat maakt dat we echt moeten werken voor een divers publiek. In Amsterdam was dat anders, daar is diversiteit al meer de norm. Van scholen tot musea. Als ik bij mijn kinderen in de klas kijk zit daar bijna geen leerling die helemaal Nederlands is. We zetten nu met behulp van een bijdrage het Stichting Burgerweeshuis JC Ruigrokfonds en de Rabobank een project op voor scholen in Schalkwijk. We organiseren voor die leerlingen een museumbezoek met gratis busvervoer en een speciale workshop rondom beeldtaal. Zodat hopelijk bij hen, zoals bij mij ook ooit, een zaadje gepland wordt. Aan de ene kant voelt dat trouwens wel stigmatiserend, alsof alleen in Schalkwijk de doelgroep woont die we niet bereiken. Dat is natuurlijk onzin. Maar goed, je moet ergens beginnen. We staan open voor alle input. Mocht iemand dit lezen en denken: ‘Ik heb me nog nooit aangesproken gevoeld om het Frans Hals Museum te bezoeken, laat het ons alsjeblieft weten’. ‘Al is het natuurlijk niet, u vraagt wij draaien’, maar feedback wordt met open armen ontvangen.”


Je bent zelf ook migrant, voel jij je inmiddels een insider in Nederland?

“Na 16 jaar voel ik me vooral bicultureel. Mijn werk is heel bepalend. Ik werk echt in een Nederlandse context. Heb een Nederlandse man. En mijn kinderen zijn super Hollands. In sommige dingen ben ik nog heel Belgisch. Nederlanders zijn direct, maar alleen als het positieve dingen betreft. Bij negatieve zaken vind ik Nederlanders vaak conflict vermijdend. In België lijkt dat omgekeerd, veel meer rond de pot draaien als het goed gaat maar als het slecht gaat worden er geen doekjes om gewonden. Als er een conflict is wil ik dat gelijk aanpakken. Ik heb geleerd me aan te passen aan de Nederlandse mentaliteit zonder mezelf te verliezen. Belgische psychiaters zoals Dirk de Wachter zijn momenteel populair in de Nederlandse media. Waarom? Zij verkondigen dat perfectie niet normaal is. Het is oké om eens ongelukkig te zijn. De Wachter zegt: omarm ook de mindere kanten van het leven. In Nederland wordt misschien nog iets meer gestreefd naar een perfect harmoniemodel. Ik blijf geloven: Zonder wrijving geen glans.”